ingezonden verhaal — juni 23, 2011 at 14:06

De Autobiografie (3)

by

De AutobiografieAutobiografie ingezonden door Ingeborg Heezen

Fiat Uno

Euforie is een staat waarin ik graag verkeer. Er zijn dan ook aardig wat euforische mijlpalen in mijn herinnering geheid. Een paar voorbeelden; het behalen van mijn middelbare schooldiploma (vrijheid, alles is nu mogelijk!); op weg naar Parijs een lift krijgen van een vliegtuig (zie je wel!); het halen van mijn rijbewijs (de wereld aan mijn voeten!) en niet lang daarna; de aanschaf van mijn eerste eigen auto.

Indertijd had ik een bijbaan in een Haags restaurantje waarvan de baas een Mercedes SLK reed. Hij lachte smalend om mijn vastberadenheid een hippie auto te kopen voor minder dan 300 gulden. Uitgerekend hij zag de advertentie in zijn veel te dure buurtsuper hangen: Te koop Fiat Uno, fl. 250,-.
Samen gingen we kijken.

Logischerwijs zou nu een passage moeten volgen waarin een onwerkelijk mooie eerste ontmoeting tussen de auto en mij beschreven wordt. Liefde op eerste gezicht, zielsmaatjes, dat gevoel. Van zoiets was echter geen sprake.

Sterker nog, de eerste aanblik op de auto veroorzaakte diepe teleurstelling. Een metallic grijsgroene auto, een echte. Niks hippie. En de motor al aan. De eigenaren hadden Fiat vast gestart. ‘Voor de zekerheid want soms deed Fiat daar wat lang over. Onhandig met boodschappen doen, daarom maar weg nu’. Mevrouw wilde een Ka. Bemoedigend had de familie zich om Fiat geschaard. ‘Hij deed het verder nog prima’.

Voor de vorm ging mijn baas onder de auto liggen. Ik keek naar de motorkap. Proefrit, Fiat remde goed. En toen, ondanks het ontbreken van wederzijdse aantrekkingskracht, besloot ik razendsnel dat hij er wel mee door kon. 250 gulden, inclusief volle tank. ’Het draait uiteindelijk niet om uiterlijk’, moet ik gedacht hebben.
‘Verkocht’, zei ik. Vanuit mijn ooghoeken zag ik mijn baas naar adem happen.

De SLK bracht ons naar het postkantoor waarna ik, in euforische staat, de auto (motor nog altijd draaiende) naar huis kon rijden. ‘Zal ik maar even achter je aan rijden?’ vroeg mijn baas zenuwachtig. Op gepaste afstand volgde hij. In het midden van kruispunt Utrechtse Baan/Bezuidenhoutseweg sloeg de motor af. Na 30 minuten reed ik weer verder, een flink arsenaal aan minder vriendelijk Haagsch rijker.

De daaropvolgende weken bleek het probleem met het starten van chronische aard. Tegen beter weten in verbaasde me dat zeer. Een half uur trok ik uit voor het vertrekken met mijn vehikel. Vervolgens hield ik dan rekening met een uur extra reistijd in verband met eventueel onverwachte stremmingen. Daar kon Fiat niet goed mee omgaan. Standaard had ik de sleepkabel aan de auto hangen. Een vriend suggereerde de aanschaf van een speciale sleepwagen voor Fiat.

Heel wat vriendendiensten en reparaties verder, reed Fiat uiteindelijk goed en bracht hij mij dagelijks over de A13 naar mijn werk in Rotterdam. Het surrogaat vleugje hippie in de vorm van een campingpannetje nepbloemen op het dashboard werd echter altijd door beschaamde bijrijders uit zicht gezet.

Nu het toch een echte auto bleek, deed ik alles met Fiat. We gingen overal naartoe. Ik werd hoe langer hoe gedurfder. Op de snelweg deed ik niet onder voor de grote jongens, vond ik. Mijn overmoed werd extra gevoed toen ik een tijdje in Zuid-Duitsland doorbracht. Meegesleept door het toerenfanatisme aldaar, testte ik met 150 kilometer per uur de echtheid van mijn Fiat nog wat meer. Een opgeblazen motor was het gevolg. De wegenwacht moest het laatste stukje doen. Het einde van Fiat was een feit en mijn eerste auto werd naar zijn laatste rustplaats vervoerd. Mij achterlatend in tijdelijke staat van dysforie dit keer. Op zich ook een mijlpaal.