Redactioneel — juni 21, 2011 at 12:48

De Autobiografie (2)

by

De AutobiografieAlfasud 1350 Ti

Een Alfasud 1350 Ti, dat was mijn eerste auto, een rooie. En ik was er erg blij mee. Ik was heel lang autofanaat en behalve Lamborghini’s, Lancia’s en Jensens, vond ik Alfa Romeo’s tot de mooiste auto’s op aarde behoren. Die waren technisch wel zo prachtig in elkaar gezet, zeker voor een massamerk. Dat daartoe nogal inferieure materialen werden ingezet deerde me niet … ik was altijd al meer een ‘ideeënman’. 

De Sud had een boxermotor die behoorlijk wat toeren mocht hebben (7.000 als ik het me goed herinner) en klonk daarbij schitterend, onderin een heerlijk geroffel en een prachtig gejank boven. Het autootje had ook een formidabele wegligging, met maar één nadeel: als je hem ‘kwijt was’ dan was je hem ook echt kwijt.

Op en neer naar school met dat ding en dan zo hard mogelijk klaverbladen nemen, op dijkjes en landweggetjes records breken, wedstrijdjes met vrienden, bijrijders de stuipen op het lijf jagen cetera et cetera. Als ik eraan terugdenk gedroeg ik me toen precies zoals die ventjes in van die opgevoerde Opeltjes waar ik me tegenwoordig zo aan erger, asociaal. 

Ik had inmiddels een bijbaan bij een Citroëndealer. Een verkoper daar begreep niet wat er nou zo leuk was aan een Alfasud. Nou, dat zou ik hem wel eens laten zien! Wij in dat autootje. Dat de a-stijlen (de dragende balkjes aan de zijkanten van de voorruit, die bedoeld zijn om het dak daar te houden waar het hoort te zijn, namelijk boven) zichtbaar waren doorgerot en dat je de deuren moest optillen om ze te kunnen sluiten baarde mijn collega wat zorgen. Niet zeuren, vond ik. 

Starten. Dat kon alleen ik. Soms wilde iemand de Sud lenen maar dan vond ik-em later precies op dezelfde plek terug als ik hem had geparkeerd – ‚dat ding doet-et niet!’ was dan het commentaar. Twee keer het gaspedaal vol intrappen, starten en dan precies op het goeie moment de choke een klein beetje uittrekken. Niet zeuren. Starten dus en roken (want dat deed ik toen). Daartoe de sigarettenaansteker ingedrukt … met de voet wel te verstaan, de rechter, terwijl met links gasgegeven en de rest. Geen probleem, niet zaniken.

Daarna volgde dan het warmrijden, want dat moest je een Alfa en dus ook een Sud. Het was februari en koud. Op de wegen lag hier en daar nog wat sneeuw. Het duurde me echter te lang: gassen! Als de brandweer! Collega toch wel onder de indruk van zo veel kabaal en bovengemiddelde bochtsnelheden (later begreep ik dat dat de doodsangsten waren die de man moest uitstaan … terecht overigens) Doortrekken in één, dan vol in twee, door naar drie, op naar een prachtige bocht in een landelijke weg bij Rijsoord (of all places). Insturen, merken dat de voorwielen een beetje glijden (geen probleem, zo wist ik al bijna een jaar … zelfs niet met regen en natte sneeuw), al glijdend de bocht door en dan plots zien dat er even verderop iemand midden op de weg stilstaat. Een Peugeot was het … Gas los, bijsturen, auto tolt rond,  vol in de remmen. , ik ‘was-em kwijt’. Alles losgelaten en gewacht op de klap. Die kwam, voor m’n gevoel, een halve minuut later. Een boom kwam zijdelings naar binnen gezet, tot halverwege het stuur. Beide rugleuningen braken af zodat collega en ik naast elkaar kwamen te liggen. 

We kwamen tegelijk overeind en keken elkaar aan. Mijn collega knipperde moeilijk met zijn ogen en zei met overslaande stem‚ waar is m’n bril!?’ We mankeerden niets, behalve dat de schrik er goed in zat. De Peugeot was er vandoor.

Mijn bochtenvrees was na ongeveer een jaar weer weg. Daarna heb ik nog menig auto quasi sportief in elkaar mogen rijden. Veel later pas heb ik leren autorijden.