ingezonden verhaal — juni 20, 2011 at 16:33

De Autobiografie (1)

by

De AutobiografieFiat 128

Mijn eerste auto kreeg ik van mijn oudere broer. Het was een Fiat 128 van 10 jaar oud. Een opvallende auto want die had daarvoor dienst gedaan als sponsorauto van de lokale kroeg waar mijn broer werkte.

De Fiat was fel oranje gespoten – we schrijven het jaar 1988 – en beplakt met sponsorboodschappen. Onderop de achterruit stond: Wilko Kuperus, uw beunhaas. Voorop: In Café de Trechter word je een echte vechter. Ook de plaatselijke slager, het vacuumvormbedrijf en de shoarma-zaak (Het Beste Broodje Schaap!) hadden een mooi plekje op de auto.

De Fiat opende nieuwe perspectieven in mijn studentenbestaan in Utrecht. Ik leende ‘m weleens uit en als hij dan terugkwam, hing het van de gulheid van de lener af wat de plannen werden. Kwart vol getankt? Arnhem binnen bereik. Halfvol: een dagje naar het strand. Groot was het geluksgevoel als de Fiat met een volle tank terugkwam van een zeer beleefde lener. Wat doen we? Maastricht? Antwerpen? Brussel op de gok?

Onderhoud daar deed ik niet aan (wegenbelasting betalen trouwens ook niet). De Fiat ging  hard achteruit. Toen ook de koppelingskabel was geknapt en de auto tot ergernis van de buurtbewoners maandenlang schuin op de stoep stond, wilde m’n broer ‘m wel ophalen. Hij dacht zonder koppeling de auto bij de sloperij in Dieren te krijgen. Toen hij ‘m op kwam halen, was ik niet thuis en het schijnt nog een hele zoektocht geweest te zijn naar de autosleutels op mijn studentenkamer. Maar dat was een makkie vergeleken bij de terugtocht. ‘De hel’, zei mijn broer later daarover. Veel later, het duurde bijna een half jaar voordat hij me weer wilde spreken. Want ik was hem vergeten te vertellen dat de Fiat niet alleen een geknapte koppelingskabel had, maar ook de voorruit en een groot stuk van de uitlaat miste.